Matthijs Hogendoorn

Over spanningsboog(jes)

Over spanningsboog(jes)

Op Twitter meldde Sylvia Witteman gewoontegetrouw de publicatie van haar nieuwste column in De Volkskrant van 9 maart. Ik volgde de link en las over de culthit Annie, hou jij me tassie effe vast uit 1981. Ik kon het direct zingen, als je zestien bent (zoals ook Witteman toen) haken de klassiekers zich onverwoestbaar vast in je brein.

Ik keerde terug naar Twitter en mijn oog viel op wat een volger onder Wittemans aankondiging had geschreven na lezing van de column:

“Na iedere zin weet je gewoon dat het nog erger wordt. Die zekerheid bewijst dat een column geen spanningsboog nodig heeft.”

Het is een aardige, complimenteuze reactie – daar niks van – en er zit een kern van waarheid in de eerste zin. De tweede echter maakt er een contradictie van, gebaseerd op een aantal misvattingen:

  1. Een spanningsboog is een puur inhoudelijke ingreep die een verhaal als geheel verder helpt.
  2. Een spanningsboog is in een column niet nodig.
  3. Dat wordt met deze column aangetoond, omdat elke zin daarin laat zien dat het (lees: wat de zangeres is overkomen) nog erger wordt.

Bij het derde punt komen de eerste twee eigenlijk samen. Immers, als iedere zin iets aankondigt van wat er staat te gebeuren (het wordt nog erger), dan herbergt elk van die zinnen op zichzelf een spanningsboog(je). Want iedere zin verleidt je dan om verder te lezen: het wordt dus erger, maar dan wil je ook weten: hoe dan? Wat zal er volgen?

Dat is wat een spanningsboog doet: je wilt verder lezen of, bij een film bijvoorbeeld, kijken.

Een spanningsboog kan inderdaad ‘groot’ zijn: het centrale gegeven in een verhaal (fictie, maar óók non-fictie inclusief kleinere teksten als columns) behelst dan een ‘vraag’, die de lezer nieuwsgierig maakt en die al dan niet wordt opgelost. Simpel gezegd: je wilt weten hoe het afloopt.

Maar ook binnen het ‘verhaal’ worden spanningsbogen aangebracht. Een bekend inhoudelijk voorbeeld is de cliffhanger aan het eind van een hoofdstuk of de aflevering van een serie.

En, zoals de Twitterreactie op de column van Sylvia Witteman onbedoeld laat zien: op zinsniveau gebeurt het dus eveneens. Dan betreft het eerder stilistische ingrepen: woordkeuze en -volgorde, vragende zinnen, tempoverhoging in zinnen achter elkaar, hyperbool, herhaling, alliteratie – van alles op dat niveau kan de lezer naar de volgende zin ‘lokken’, naar de volgende alinea, enzovoort enzovoort. De reageerder op Twitter werd professioneler verleid dan hij dacht.

Overigens, niet alles wordt welbewust door een schrijver aangebracht. Naast doelgerichte ingrepen maken talent, ervaring en toeval – ook hier geldt de roos van Gerrit Krol – dat zinsdelen als het ware op hun plaats vallen en bijdragen aan de spanningsboog(jes). Allemaal onderdeel van het ambacht dat schrijven in de eerste plaats is.