Matthijs Hogendoorn

Over doorzetten

Over doorzetten

Op 17 november jl. presenteerde Pieter de Nooij zijn ‘corporate thriller’ Tango van Bedrog. Ik leerde Pieter kennen in 2012, toen hij via een studievriend van hem/oom van mij contact zocht.

Hij was al een jaar of wat bezig (ik geloof sinds 2006) met het optuigen van een monumentaal verhaal over een Nederlandse multinational, die verstrikt raakt in een web van corruptie en cliëntelisme dat de huidige zakenwereld van Argentinië kenmerkt en dat gevoed blijkt te worden door de oude belangen en tegenstellingen uit de tijd van de junta in de jaren zeventig.

De Nooij stuurde indertijd een synopsis en een gedeelte van zijn manuscript op. Ik heb mijn eerste analyse aan hem gearchiveerd, en zocht het ter gelegenheid van de presentatie op. Teruglezend vind ik gelukkig nog steeds dat ik daarin de balans heb weten te vinden tussen enerzijds oprecht aangeven waarom het verhaal me aansprak, maar anderzijds niet verhullen dat ik vond dat er nogal wat aan schortte.

Aan de pluskant: met een insidersblik spannend schrijven over de mores van de internationale zakenwereld in het algemeen en (de duistere kanten van) de Argentijnse samenleving en de zakelijke gebruiken daar in het bijzonder. Dat is een behoorlijk origineel gegeven en daarom in aanzet interessant. Een mens leert nog eens wat terwijl hij wordt meegezogen in het verhaal.

Aan de minkant: gewoon nog niet goed genoeg kunnen schrijven. En ook, schreef ik: ‘Het lijkt of je gaandeweg de conclusie hebt getrokken (of allengs de gewoonte hebt ontwikkeld) om alles wat je wilt delen ook te laten gebeuren. Zo kom je aan 700 pagina’s.’

Want dat waren het. 700 pagina’s, 72 hoofdstukken en vele personages die ook allemaal een stem en initiatief kregen toebedeeld. Dus schreef ik die eerste keer over: bomen en bos. Structuur. Tempo en toon. Lezer verleiden. Enfin.

Gedurende enige jaren erna kwam Pieter zo eens in het halfjaar bij mij langs, nadat hij mij ervóór nieuwe (deel)versies had gestuurd. Het gesprek ging altijd over het boek, dus de basis van schrijven kwam wel aan bod, maar er kon niet écht worden geoefend – daarvoor hadden we de roman los moeten laten. De Nooij wilde (nog) niet naar een vakschool. En dat was wel nodig.

Achteraf vraag ik me af of ik die noodzaak nog harder had moeten benadrukken dan ik heb gedaan. Eerder eigenstandig de stekker eruit had moeten trekken: “Ga eerst maar eens naar school.”

Mijn inschatting was indertijd – dat weet ik nog – dat De Nooij’s “dat wil ik niet” niet zou veranderen als ik afscheid zou nemen. Dat zijn eigengereidheid hem in de weg zou zitten om die gang te maken. En, zoals Pieter in zijn dankwoord in Tango van Bedrog schrijft: ik stelde ‘helaas’ wel de goede vragen.

Later, zo begreep ik op de presentatie, zou het zijn vrouw zijn die hem met een ‘cadeau’ in feite dwong alsnog naar de Schrijversacademie te gaan. Soms zijn er hogere krachten nodig om iets voor elkaar te krijgen.

Koppigheid, eigengereidheid houdt ook vaak in: doorzettingsvermogen. En elk nadeel hep se voordeel. Want het heeft misschien langer geduurd dan nodig, dat zullen we nooit weten. Maar het boek ligt er wel – en het zijn gelukkig geen 700 pagina’s geworden. Van harte, Pieter.